Sado lift Europa!

Dozen

Met die zware tas vol boeken duurde het langer om bij 88 te komen. Moest opnieuw een bergje op voor 85, en ook 88 hebben ze midden in de bergen weten te stichten. Voorbij 87 was een speciale plek voor henro, genaamd de `Henro Salon`, waar lopers naartoe kunnen gaan om een certificaat te ontvangen. Heb mijn tent opgezet naast dat gebouw, en het was behoorlijk koud. Twee andere Japanse henro bleven daar ook in de buurt slapen, het is een soort meeting point. Een van de twee was aan zijn 3e keer bezig, de andere was er ook voor het eerst maar was er behoorlijk slecht aan toe. Hij kon nauwelijks meer staan of lopen, maar was vastbesloten de tocht af te maken. Het is raar, maar je wordt lichamelijk een met je backpack. Als je je backpack afdoet en loopt, is dat fysiek zwaarder dan met pack lopen. Je hele lichaam went aan het extra gewicht. En in zijn geval was dat ook zo: hij kon zonder backpack nauwelijks overeind komen, laat staan lopen.

Ik rook de wierook van 88 al van een kilometer weg en ik hoef natuurlijk niet te zeggen dat het een hele mooie kilometer was. Het was druk bij 88. De laatste buspelgrims van het seizoen waren bezig met de laatste chants voordat het zo koud wordt dat er potentieel ook sneeuw kan gaan vallen. Eenmaal bij 88 deed ik eigenlijk gewoon wat ik altijd doe bij tempels. Ik heb voor de gelegenheid een dubbeltje (ja, de echte, van die goede oude gulden-tijd) geofferd. Was voor de rest weinig te zien of doen. En ik realiseerde me snel dat het nog lang niet over was: terug naar tempel 1 zou op zijn minst 2 dagen gaan kosten. Begon met lopen, en kwam na wat kilometers opnieuw de twee andere lopers tegen, die in een klein parkje naast een busstation gingen slapen. Het was verschrikkelijk koud. Zeker onder nul. En ik sliep nog in mijn tentje, wat toch net iets warmer is; de andere twee pakten een bankje. De ochtend kwam snel en besloot niet langer te wachten, het was sowieso te koud om in die tent te blijven liggen. En al snel zag ik de bergen van Shozanji, #12. Toen werd ik pas echt blij, en begon ik echt te beseffen dat ik een rondje heb gelopen. Ik passeerde tempel 10. Tempel 9. De tempels beschreven mijn gevoel. Juurakuji, tempel van het volle geluk. Anrakuji, tempel van het heimelijke geluk. Gokurakuji, tempel van het overvolle geluk. En toen goede oude Ryouzenji. Ik liep dezelfde brug over als de eerste dag, maar de andere kant op. 

Ryouzenji was verlaten, ik was er de enige. Het was ineens anders. Geen stempel meer verzamelen. Geen drukte meer van bussen en het daarmee gepaarde moeten uitleggen dat je Nederlander bent, en dat we inderdaad het land van die molens zijn. Helemaal geen druk meer. Nergens meer om heen te gaan. Het voelde raar. Het voelde goed. Zo was het genoeg. `Nou, dat was het dan`, zei Ko. `Voel je iets? Een verandering?` vroeg hij. `Niks. Alles is hetzelfde`, antwoordde ik. Hij knikte. `Wat ga je nu doen?` vroeg ik. `Naar nummer 2`, antwoordde Ko. `He? En dan?` vroeg ik verbaasd. `Naar nummer 3, natuurlijk. Misschien kan ik dit keer nog eens met een idiote buitenlanders lopen`, zei hij. Hij vroeg me nog eens naar mijn boek met stempels te kijken. Ik opende het boek. De 88 stempels. `Kijk eens naar de eerste stempel, heb je die?` vroeg Ko. Ik bladerde naar voren. Een vel... zonder stempel. `Je dacht toch niet dat het over was, he?`. Een 89e bladzijde, een voor een plek genaamd Kouyasan. `Ga naar Kouyasan, in Wakayama. Het is redelijk dichtbij. Als je daar bent, zul je het wel begrijpen`, zei hij.

Kouyasan, ik had er al van gehoord. Mensen gaan erheen om voor een enorme prijs in een tempel te kunnen slapen, iets wat ik op deze reis meerdere keren gratis heb gedaan. Mensen betalen graag, het voegt waarde toe aan de dingen. Maar Kouyasan was meer dan een toeristenoord. Het was de eerste en laatste plek van de pelgrimstocht, en niet gelokaliseerd op Shikoku. Ik had echter niet echt zin meteen te gaan, want ik was gewoon kapot. Ik wilde weer eens een poos in een normaal bed slapen, met elke dag toegang tot de douche. Boekte een nachtje in een hotelletje in Tokushima. Keerde de volgende dag terug naar een plek dichtbij Ryouzenji, waar de `uitgang` van Shikoku zich bevindt; twee bruggen, en een eiland, tussen het vasteland en Shikoku in. En een van die bruggen heb ik al een tijd willen zien, want het is de grootste suspension bridge ter wereld, wel twee keer de Golden Gate. Ik stak mijn duim op. Jongen van 22 pikte me op, in een sportwagen. Met grootste genoegen reed hij me over die brug heen, en ik was blij om weer echt door stad heen te gaan. Het was te laat om vanuit Kobe verder te liften, dus deed het laatste stuk naar Kyoto per trein.

In Kyoto weer een groot ontvangst, in het hostelletje waar ik altijd slaap. Meteen kwamen mijn twee Japanse avonturiers weer langs, Dozen en Kentaro. Ze hadden avondeten meegenomen, en bier, en wijn, om het te vieren. Vooral Dozen was behoorlijk blij dat ik de tocht heb gelopen, aangezien hij zelf monnik is (Zen). En hij is echt iemand waarvan ik bijna zeker weet dat hij hetzelfde tegen de wereld aankijk als ik doe. We filosofeerden. Bakunyuu filosofie. `Ja, Bakunyuu, natuurlijk trekt het meteen je aandacht. Je kunt er niet omheen. Je moet ernaar kijken. Je hebt gewoon geen optie. Je raakt er helemaal van in een roes. Een perfect voorbeeld van alle verleidingen van de wereld`, zei hij. Bakunyuu is de naam voor Japanse modellen met enorme strandballen; Baku staat voor explosie en nyuu voor borsten. `En bakunyuu heeft net zoveel waarde als bijvoorbeeld verlichting, nirvana, morele goedheid; alles heeft dezelfde waarde, niks heeft waarde. De hele wereld is een grote verzameling compleet willekeurige objecten en dingen, het een is niet beter dan het ander...` brabbelde hij dromerig. `Alle dingen zijn gelijk, maar sommige dingen zijn gelijker dan andere dingen. Zoals bakunyuu`, lachte hij. Ik legde mijn fascinatie uit voor Jizou. `Ah, ja, Ojizousama is echt goed, he. Hij is heel speciaal. Hij had lekker in nirvana kunnen zitten, weet je. Hij heeft het bereikt. Maar hij koos ervoor daar niet te blijven, hij koos ervoor terug te keren naar de aarde, om andere mensen te helpen`. Hij moest keihard lachen om de Jizou manga die ik heb gekocht bij een van de tempels. En Jizou wordt afgebeeld met een soort van zon achter zijn hoofd, heel toevallig net als Jezus. Alles komt uit India. Net als met Sinterklaas. Wij brengen Sinterklaar naar Amerika, en na een paar honderd jaar krijgen we Sinterklaas terug, en ineens vieren we twee keer een feest ter ere van de heilige man. Jezus? Neuh, een kerstboom. Het is weer eens tijd in de karaoke te grijpen naar een goede dosis Marilyn Manson, en om op zoek te gaan naar boeken over Aleister Crowley. `De vraag is het antwoord, het antwoord de vraag`, Zende Dozen. Dozen. Do-zen. 

Hysteria

Morgen gaat het gebeuren. Een reis van inmiddels 53 dagen komt ten einde, culmineert in de aankomst bij de allerlaatste tempel daar ergens in de bergen op de grens tussen Kagawaken en Tokushimaken: nummer 88, Okuboji. Ik ben er onrustig onder. Ik merk nu ineens dat ik er bewust van raak, met heel mijn wezen, dat dit bestaan waar ik nu aan gewend ben, ten einde gaat komen. Als Pelgrim van de tocht op Shikoku balanceer je tijdelijk tussen leven en dood, je bestaat een poos niet meer, maar je bevindt je in die vage wereld, tussen hemel en aarde. De tempelgronden zijn ook van diezelfde natuur: je stapt door de poort aan het begin van de tempel en dan bevindt je je in het elders. Ik merk nu, nu dat het doel bijna is bereikt en deze dus wegvoelt, pas echt hoe moe ik ben. Net als aan het begin van Kouchiken, ben ik me ineens bewust van mijn lichamelijke en spirituele moeheid. Stappen worden zwaarder. De tas lijkt meer te wegen. Mijn gemoedstoestand schommelt. Als dit is wat Nirvana is, dan weten manisch depressieven er alles van. Ik loop, en schiet in de lach om niks. Een moment later voel ik me weer onrustig en stapelen frustraties om niks zich op.

Begrijp me niet verkeerd, mijn favoriete plek om te slapen is mijn tentje. Die optie is me nu afgenomen, omdat het gewoon te koud is. Hoe je `t ook went of keert, je slaapt niet optimaal in een tent. Al helemaal niet als het vriest. Ik gebruik nu veelvuldig internet cafes, maar ik merk hoe het me breekt. Als je jezelf een beetje redelijk lekker hebt ingenesteld, komt er ineens een buurman bij in het hokje naast je, die ook een nachtje blijft, en die, op een of andere manier, altijd snurkt. Ik heb Ko al een paar keer aangekeken, maar hij is het niet, volgens hem. Ik heb in de afgelopen 4 weken misschien 3 nachten in een normaal bed doorgebracht. Een douche heb ik niet altijd, soms voor 3 dagen niet. Ik probeer vooruit te plannen, en bij onsen uit te komen, maar je kunt niet altijd mazzel hebben. De laatste onsen waar ik was geweest was de duurste van allemaal, maar de kwaliteit was dan ook echt helemaal top. Man, wat een badhuis. Ik heb er de hele middag en avond gezeten, compleet gelukkig. Dat was de hemel. Hemel en hel, ze bestaan vlak naast elkaar, en jij zit er tussenin. Jij bent henro.

Ik ben in die rol gegroeid. Van henro. Zo ga ik met mensen om hier, zo gaan mensen met mij om. Ik ben vrienden geworden met alles wat het henro zijn inhoud. Ik respecteer de lokale goden, de lokale goden respecteren mij. Ik kan niet geloven hoe verzot ik ben geraakt op Jizou, wiens beeldjes je overal onderweg tegenkomt. Jizou is echt, wat figuren met goddelijke vermogens betreft, momenteel mijn grote favoriet. Ik bedacht me hoe fijn het zou zijn als ik een klein beeldje zou kunnen hebben, van Jizou. Dan zou ik een altaartje kunnen, maken thuis. Een kaarsje branden voor Jizou, zo nu en dan. Maar hoe kom je in hemelsnaam aan een beeldje van Jizou. Het is super onbeschoft om gewoon een beeldje ergens mee te pikken, want mensen die bidden echt bij die beeldjes. Dan komt diezelfde avond een omatje langs met een mandarijntje voor Jizou, maar dan is Jizou er niet meer. Met dat soort gedachten in je hoofd loop je hier dus rond. En je zou zeggen, dat je toch wel nuchter genoeg bent om in te zien dat het allemaal hocus pocus is, dat een stelletje idioten een paar duizend jaar geleden wat vage verhaaltjes aan elkaar vertelden om de saaie avonden door te brengen, en dat die verhaaltjes op een gegeven moment zo serieus werden genomen dat er zoiets ontstond als religie, en nog wel de georganiseerde vorm. Je zit tussen twee werelden in. De logische, waarin westerse waarden hoog in het vaandel staan, en de oosterse, waar, nou ja, vaagheid het kernwoord is. Zen. Oh, iemand kijkt naar me. Hij wijst naar me. Hij weet dat ik henro ben, en hij gaat me aanspreken. Heb alleen zo weinig tijd, ik moet voor 5 uur ben die tempel zijn. Hij steekt zijn vinger op. Een. Het is er een, communiceert hij met anderen. Ik nader hem. Hij komt naar me toe, met iets wat hem aangereikt is. Hij opent zijn handen, en geeft me een beeldje. `Ojizousama`, zegt hij, lachend. `Ki wo tsukete`. Goh. Een beeldje, van Jizou.

Ik zat te eten, in een ramententje (Naast soba en udon een zeer populaire noodlevariant). En als ik in een restaurant zit, dan zit ik niet in een hoekje. Nee. Ik ben henro. Ik zit dus waar iedereen me kan zien zitten, zo in mijn witte kleren. Naast henro ben ik namelijk ook Nederlander, en waar het woord `gratis` bij komt kijken, daar heeft de Nederlander natuurlijk instinctief een affiniteit voor. Ik ben namelijk al meerdere keren met meer geld een restaurant uitgelopen dan ik had toen ik naar binnen ging. Iemand betaalt je rekening. Natuurlijk anoniem, want zo nederig zijn ze wel. En dan, als je opstaat, spreekt iemand je aan, en geeft je een briefje van 1000 yen, vaak verhult in iets, een servetje, ofzo. Het werkt ook bij de supermarktjes. Eerst demonstratief je kaart lezen voor je naar binnen gaat om iets te kopen, want er is altijd wel iemand die je opmerkt, en op wiens rekening je dan gratis kunt shoppen. Ze knopen dan een gesprek met je aan, en zijn vaak boven de 60, dus spreken vooral over dingen waar je geen fuck om geeft. Je antwoord vooral met `Sou desu ka?`, oftewel, `Oh, echt?`, maar eigenlijk betekent het natuurlijk, `Nou, lekker boeiend!`. Maar ja, je wilt de persoon die jouw lunch betaalt natuurlijk niet wegjagen. Maar goed, ik zat dus in die ramentoko, en na een half uur was er nog niks gebeurd. Het publiek was er niet naar. Zat in een stad, dus meer jonge mensen, en die zaten voornamelijk manga te lezen terwijl ze hun noodles opslurpten. Tja. Nou ja, dus maar mijn eigen lunch betaalt, een set van 1000 yen. De bediende kijkt me lieflijk aan. `Oh, ohenro!`. Ja, henro, ja. Waar is mijn henrokorting? Nou ja, die kwam niet, dus ik pakte mijn wandelstok, en liep weer richting de volgende tempel. Een auto stopte. Jizou stapte uit. Vlug gaf hij me een briefje van 1000, en voor ik echt iets kon doen, zat hij alweer in de auto, op weg naar, nou ja, op weg naar waar Jizou naar op weg naar toe is.

Werd aangesproken, en echt eens door een jongen van mijn leeftijd. Was een beetje rare plek om aangesproken te worden, met zo`n 25cm vluchtstrook beschikbaar voor voetgangers, en het bleek dus dat hij ook een reiziger was. `Oh, ben je ook ohenro?` vroeg ik. `O-wattuh?`. Hij keek me een beetje glazig aan. Nee, serieus, hij wist er echt niks van. Nou ja, ik snap het wel natuurlijk. Ga naar iemand van 15, en begin over Hennie Huisman. `He? Hennie Huiskam? Wasda?` zullen ze zeggen. Beetje kromme vergelijking, maar zo is `t wel. In die categorie trouwens, ik ben ook nog langs een gigantische barbapappa-reclame gelopen. Nou ja, een barubapapa reclame dan. Voor een bank. Maar goed, die jongen wist dus echt niks van de bedevaartstocht op Shikoku af, dus besloot hem mee te nemen naar de volgende tempel. Ik legde het hem uit. `Dus je gaat naar tempels, het zijn er 88. Je doet een gebedje bij de Hondou, dat is de oorspronkelijke tempel voor de beschermer van die tempel, en dan naar de Daishidou, die is opgezet ter ere van Kobo Daishi, waarvan ze denken dat, ook al hoort hij al 1000 jaar hartstikke dood te zijn, hij nog steeds rondjes loopt op dit eiland, samen met de pelgrims. Daarom staat er ook `Samen lopen` op mijn tas, kijk maar`. Hij keek. `Sou desu ka?` zei hij toen.

Ko keek me nog eens aan. `Ze weten niks, die jeugd hier. Ze zijn compleet out-of-sync. Daarom zijn het ook allemaal van die mislukkelingen. Het is een generatie van watjes`, begon hij. `Denk je nu echt dat het zo stom toeval is dat je wenst voor een Jizou beeldje, en er dan een krijgt? Dat je wenst voor betaling van je rekening en dat hij dan voor je wordt betaald? Net als hemel en aarde, besta jij tussen twee werelden in. Tussen de wereld van je ziel, en van je lichaam. Vergis je niet, de afstand tussen jouw lichaam en jouw ziel is groter dan de afstand tussen de ene kant van het universum en de andere. En het is van essentieel belang dat je weet om in synchroniciteit te leven met jezelf, en met het universum. Als je dit doet, spant het hele universum samen om je te helpen, niet omdat dat zo toevallig zo gaat, nee, het gebeurd omdat jij het doet, omdat jij het universum bent. Ben jij er niet meer, dan vergaat het universum met je. Dat is einde van alles`. Ik keek Ko aan. `Sou desu ka?`

Volgens mijn berekeningen is het nog 28 kilometer tot tempel 88. Daatussen moet ik nog naar 85, 86 en 87. En dan is het ook nog 40 kilometer terug naar nummer 1. Er zijn 3 verschillende wegen, en heb ik zin in ongeveer 0 van die 3. Voornamelijk omdat ze wederom door de bergen gaan. Ik moet een heuvel over van 780 meter voor ik 88 kan bereiken. En dan zit ik dus echt tussen hemel en aarde: nergens dus. Ik heb goede plannen om morgen 34 kilometer te lopen, wat betekent dat het overmorgenavond klaar kan zijn. Maar ik ken mijn plannen. Ik heb al zo vaak 30 kilometer willen lopen. Maar ik ben nogal makkelijk afgeleid. Vooral als je langs Vegas Strips loopt, of ze noem ik ze, die typische wegen in Japan net buiten de stad waar elke grote chain een winkel moet hebben. Ik snap niet waarom supermarktjes hier konbini`s heten want ze zijn alles behalve convinient. Je hebt drie grote, namelijk Family Mart (noemen ze hier kort ook wel Famima, wat me meteen doet denken aan die geweldige video op youtube waarin eindeloos wordt ingespeeld op de korte naam van een andere keten genaamd First Kitchen, die hier in het kort `Fakin` heet), Lawson en Sunkus. Als je dan een weg van 30 kilometer hebt, zou je verwachten, dat het, volgens de wetten van de logica, handig is om op elke 10 kilometer een aparte winkel te hebben. Dat is ook aardig voor henro, die dan dus niet hoeven in te slaan, om de 30 kilometer. Maar zo is het dus wel. 500 meter naast de Famima, zit Lawson. En dan aan de overkant van de weg daarvan, zit Sunkus. En dan weer 30 kilometer niks. Wat is het verschil tussen die winkels onderling? Niks. Behalve reclames. De ene keten stunt met Miffy (zo noemen ze nijntje hier), en de andere met barbapappa. Ik weet nog wel een goede barbatruuk voor die lui: gewoon eens niet zo vaag allemaal op elkaar gaan zitten langs een Vegas Strip. Want alle boekenwinkels zitten er ook. En aangezien ik dus een gigantische boekennerd ben, moet ik gewoon elke boekenwinkel even in. Het is een compulsieve stoornis. En dan koop ik weer iets, en dan weegt mijn tas weer een kilo meer.

Toen ik klein was, had ik twee dromen. Je weet wel. Jantje wil Brandweer worden, Pietje wil graag een grote stoere auto. Mijn eerste droom: een vrouw, half Koreaans, half Japans, die van mams kant heeft geleerd Koreaans te koken, van vaders kant gerelateerd is aan Toyota (of waren die al failliet?), en, nou ja, you get the idea. De 2e droom: Jean Baudrillard`s Simulacra and Simulation vinden (als je je niet herinnert dat ik het over dit boek heb gehad, meld je dan nu direct af van die mailinglijst en ga verder met je lege bestaan, graag), in het Japans, gewoon, zo op een boekenplank. En een van die twee is dus in vervulling gegaan. En niet alleen dat werk heb ik kunnen scoren, ook heb ik, zoals ze `m in het Japans noemen `Aku no Shisei` oftewel The Intelligence of Evil (die wist je, he?) kunnen bemachtigen, wat zijn laatste werk was voor hij (pinkt traantje weg) stierf. Ze hadden nog meer moois, maar helaas bestaat er zoiets als zwaartekracht, en mijn bankrekening. Meerdere werken van Zizek, maar niet echt zijn hoogtepunten. Nog een boek van Marshall McLuhan, maar van hem heb ik al 2e hands een boek kunnen kopen. Ook een Japanse versie van Hitler`s `Mein Kampf` kunnen kopen, hij stond op de plank naast Dan Brown. Hier in Japan begrijpen ze tenminste hoe je boeken moet sorteren: troep bij de troep. Hitler`s `compelling` meesterwerk is momenteel op weg naar mijn huis, in een doos, per boot. Ben benieuwd wat ze ervan denken, bij de douane. In dezelfde doos zit ook een boek van Stephen Hawking, die vooral recentelijk vaak erg charmant op de foto staat. En ook Hitler was vrij fotogeniek. Dus, iemand die een doos vol Japanse boeken naar Nederland stuurt, waarvan een met een mongool in een rolstoel op de cover, en een met plaatjes van een fotogenieke Duiter. Ik ken nog wel iemand wiens mening ik daar wel over wil horen!

Nehan

Met nog een hele maand in dit land voor de boeg, besloot ik het in Matsuyama maar rustig aan te doen. Zolang ik nog van redelijk goedkope overnachtingen kan genieten, moet ik daar zeker gebruik van maken. Zodra ik weer terug ben ik Tokyo, gaat ook het geld des te sneller. Overigens moet ik zeggen dat, naast de sponsoring van vrienden en familie, ik ook hier zeker al voor over 250 euro aan sponsoring heb ontvangen, en dan schat ik het nog laag in. Mensen zijn zeer begaan met je lot en andere henro zijn vaak zo enthousiast dat ze je van alles aanbieden. Naast inmiddels al 8000 yen aan contant geld (zo`n 70 euro), is ook al talloze keren voor mij het eten in een restaurant betaalt, heb ik fruit ontvangen, drankjes uit de automaten, boeken, paraplu`s, een karaoke-sessie, en laatst heeft zelfs iemand een complete overnachting in een ryokan voor me betaalt, plus avondeten en ontbijt. En nog is er een gat in mijn bankrekening gebrand. Ik kan het onmogelijk stoppen. Het zit in de kleine dingen. Bijvoorbeeld, mijn noukyouchou (het boek waarin ik stempels laat zetten) heeft zodra ik tempel 88 heb bereikt een monetaire waarde van wel 250 euro. Bij elke tempel moet ik namelijk 300 yen betalen, en het boek zelf is ook 2000 yen. Ik drink zeker 1,5 liter per dag, en dat kost me al snel 1000 yen. Met dit soort onkosten kun je slapen in je tent wat je wilt; nog gaat het duur zijn.

Ik had in Matsuyama afgesproken met een van de jongens van het bruiloftsfeestje, en ik liep hem spontaan tegen het lijf bij rond Dogo-onsen, waar hij een toeristenwinkeltje heeft. Meteen afgesproken, en dan avond erna zaten we met zijn 3en in een hokje, hij, ik, en nog een jongen. Voor mij was dit een speciale keer want ik moest en zou gaan experimenteren met Japanse liedjes. Bij Japanse liedjes in de karaoke is kennis van de karakters handig, maar niet perse nodig, alhoewel het zeker wel enorm helpt. Omdat er ook veel jongeren graag naar de karaoke gaan, zweven boven de karakters in de songtekst zogenaamde furigana, dat zijn simpelere tekens, die net als het alfabet fonetisch zijn. Het probleem van de karakters is namelijk, vooral in het Japans, dat je te maken hebt met meerdere manieren om hetzelfde karakter te lezen. Een karakter is dus geen letter, het is eerder een klank, of soms gewoon een compleet woord. Je moet dus bij de karakter de klank kennen, wil je het kunnen lezen. Met zo rond de 3000 karakters in het gebruik is dat een behoorlijke uitdaging en de gemiddelde universiteitsstudent mag blij zijn als hij er 2000 uit het blote hoofd kent (het aantal wat ook ik zo ongeveer machtig ben). Als je dus het fonetische schrift (de zogenaamde kana) snel genoeg kunt lezen, kun je zonder problemen een liedje zingen, en ik lees kana inmiddels net zo snel als het ABC. Dus geen enkele reden om het niet te proberen. Ik begon met een redelijk eenvoudig nummer, Storm van Luna Sea. Toen ik merkte dat ik hier geen enkele moeite mee had, ging ik het mezelf toch al snel wat moeilijker maken. Kodou van Dir en Grey stond heel hoog op mijn want-to-sing-list, en ook hier had ik op de snelle gebrabbel stukken na weinig moeite mee. Het Japanse stemgeluid is echter anders dan die van een Europeaan; Japanners kunnen gemakkelijker hogere noten halen. Uzu van Kagrra was net iets te hoog gegrepen, maar Shiki van dezelfde groep kwam er redelijk uit (Kagrra is een band die ik iedereen aanbeveel; het is een mix van pop rock met gebruik van traditionele Japanse instrumenten met behoorlijk poetische teksten). Shout & Bites van Versailles was ook geen enkel probleem, maar hun zanger heeft van zichzelf een vrij lage stem. Tokyo Noise van Serial Number was ook geen uitdaging. Met wat bier op en Rob zijn prethoofd in gedachten (weet niet waarom) deed ik ook Kuukyo na Heya van Mucc, een totaal geniaal nummer, en vooral van de grunts keken mijn mede-karaokers me een beetje vaag aan dus besloot ik daarna de koers compleet om te gooien met Kiss in the Dark van Pink Lady, waarvan ik een van de zangeressen vorig jaar live heb gezien, samen met Hoshimi. Een van de meest populaire liedjes van Japan, Mata Kimi ni Koi Shiteru van Sakamoto Fuyumi, was echter een bizar slecht idee om 2 uur in de nacht met een gesloopte strot en dat was dan ook wel het signaal er een eind aan te breien. De andere jongen zong bijna het gehele ouvre van Exile en met een knipoog naar mij probeerde hij ook Last Christmas, maar verder dan het refrein kwam hij niet. Bij een Engels liedje verschijnen dus net als bij karakters zwevende kana boven ons vertrouwde ABC, waar de jonge Japanner zich compleet geen raad mee wist. Vooral als je je realiseert dat bijvoorbeeld een woord als genshiryokuhatsudensho in het Japans slechts uit 6 karakters bestaat, kun je goed begrijpen waarom: als je onze letters ongetrained wilt oplezen kom je niet verder dan een kind in groep 3 met spellen. Maar getrainde lezers van het ABC spellen niet; we herkennen complete woordgroepen en kunnen op die manier zonder te spellen vloeiend lezen. Speloefeningen in het Japans zijn nauwelijks nodig; een gemiddeld woord bestaat uit 3, hooguit 4 karakters, die enorm simpel en klankzuiver zijn. Met slechts een stuk of 100 kana kun je alle mogelijke Japanse geluiden dekken. Genshiryokuhatsudensho wordt door een Japanner dus niet gespeld als g-e-n-s... etc maar als Ge-n-shi-ryo-ku-ha-tsu-de-n-sho. Een losse g, k of h bestaat niet in het Japans!

Ik heb die dagen in Matsuyama wel gelopen. Een kilometertje of 10. En dan nog deed ik 2 tempels per dag, zo dicht zitten ze hier op elkaar. Het is raar, maar ik realiseer me nu dat ik eigenlijk niet wil dat het stopt. Ik snap ineens waarom er mensen zijn die hem meerdere keren lopen. Ik sprak een man die al voor de 14e keer bezig was. Hij deed het supersnel; 40 kilometer op een dag. Mijn 45e dag, was zijn 25e. 63 jaar oud. Tussen de 10e en 20e dag ergens wenste ik echt dat het op zou houden, ik dacht er zelfs aan gewoon te kappen. Maar ja, ik was daar, en zette gewoon domweg door. Maar nu ben ik helemaal gewend aan de weg, aan de staat-van-zijn, aan het leven. Je bent hier gewoon een zwerver, echt niet meer, of minder. Je zwerft, van plek naar plek. Je bekijkt de wereld heel anders. Ik heb me bijvoorbeeld geen enkele dag druk gemaakt over waar ik die avond slapen. Mary merkte dit op. Volgens haar kon ik minder genieten omdat er geen Minshuku op mij wachtte, elke dag. Maar voor mij was het juist makkelijker. Mary moest namelijk, eenmaal gereserveerd, wel op komen dagen. Ze moest dus perse die 25 kilometer lopen, of anders een bus nemen. Maar ik, ik slaap gewoon in een bushokje, in een garage, een simpel hutje, mijn tent, of bij een tempel. Nergens toe verplicht. Niemand die naar je omkijkt, en als ze het doen, is het omdat ze daadwerkelijk in je geintresseerd zijn en je goeds toe willen wensen. Er bestaat geen kwaad op dit pad, behalve het kwaad wat je voor jezelf creeert. Dat is net als in het normale leven, maar hier valt het meer op. Veel dingen vallen hier sterker op. Zo besefte ik me na een nacht slapen op het strand dat de zon dus echt aan de ene kant naar beneden gaat en aan de andere kant weer omhoog komt. Dat snapt natuurlijk iedereen wel, maar snappen en beseffen, je het dieper realiseren, dat zijn compleet verschillende dingen. Alles gaat net iets dieper hier.

#60, Yokomineji, was een redelijke uitdaging. Het weer was die dag behoorlijk vaag. In Tokyo werden alle records gebroken; 25 graden, in december! Maar zo vaag als dat was, zo vaag was wat volgde; plotsklapt pakte donkere wolken zich samen en begon het keihard te regenen, en te waaien. Ik zag de wolken samenkomen, ergens op 200 meter hoogte. Toen het losbarstte, kon ik gelukkig ter hoogte van 300 meter in een hutje schuilen. Op een gegeven moment zaten we met 4 pelgrims in dat hutje, en niemand snapte er iets van, want dit had het weerbericht niet voorspelt. We konden enkel hopen dat het zou stoppen. Na een uur dat het dat gelukkig en konden we, ondanks de redelijk sterke wind, verder omhoog klimmen, naar 750 meter, enkel om ook weer 750 meter omlaag te gaan. Er wacht nu nog 1 werkelijke uitdaging op me: #66, Unpenji. Eerst moet ik morgen naar 500 meter voor #65, om dan weer 500 meter omlaag te gaan, een dal in. En dan volgt de tocht naar de hoogste tempel van de bedevaart; Unpenji bevindt zich op 900 meter hoogte. Het zal herinneringen oproepen van #12, Shozanji. En daarna uiteraard weer 900 meter omlaag. Dan volgen in rap tempo een set van 20 tempels, die zich allemaal rondom Takamatsu bevinden. De laatste lange afstand is dan de 40 kilometer van #88 terug naar #1, iets wat de meesten in 1 dag proberen te doen, door heel vroeg op te staan. Ik zie wel wat ik doe. Zoveel haast heb ik niet.

Gisteren ben ik flink verwend door een andere pelgrim die mij wel mag en me in zijn Ryokan stopte. Dat was alweer een tijd geleden. Ik maak liever geen gebruik meer van de duurdere plekken maar als het me aangeboden word sla ik het natuurlijk niet af. Vandaag kon ik ontsnappen van zijn vrijgevigheid door in een internetcafe te slapen, maar als ik morgen even ver kom als hij, dan wil hij me nog een keer trakteren. Hij vindt het wel leuk, een beetje ouwehoeren met een vage buitenlander, want ook voor hem is het maar een eenzame reis. Zijn eerste keer. Sommige mensen gebruiken het osettai systeem enkel om je gevangen te nemen in hun eigen wens voor een maatje. Er is niks wat je terug kunt doen; je kunt enkel ontvangen, en hopen dat je een goed moment kunt vinden om ontsnappen.

Morgen loop ik de laatste van de 4 ken in; Kagawaken. Dit is de ken van de verlossing, van Nirvana, Nehan. En vooral de udon moet er geweldig lekker zijn. Op mijn kaart staan in deze ken niet de plekken gemarkeerd waar ik eventueel gratis met een dak boven mijn hoofd kan slapen, maar juist de plekken waar ik udon kan eten. Overigens kan ik de kou niet tegenhouden; over een week gaat het te koud zijn om nog langer in een tent te slapen, en waarschijnlijk zullen de hoger gelegen tempels dan ook sneeuw te verwerken krijgen, wat betekent dat het aantal pelgrims drastisch afneemt. Dit is feitelijk de laatste week van de pelgrimstocht voor velen. Er zijn weinig gekken die dit in de winter doen. Het is dus beter als ook ik over een week klaar ben, om dan weer terug te keren naar Tokyo. Erheen liften zal ook een redelijk koude bezigheid zijn, maar het moet maar. En dan kijken wat daar weer op me wacht.

Pulp Fiction

Bij tempel #42 kwam ik een Amerikaanse tegen, Mary. Zij droomde van kinds af aan al de tocht te lopen en is een behoorlijk ingelezen figuur. Net als de andere buitenlander die ik tot nu toe ben tegengekomen, de man uit Oostenrijk, heeft zij ergens ter hoogte van de eerste tempels al haar voeten zo bezeerd dat ze gelimiteerd is tot het lopen van 20 kilometer per dag. Dat is heel wat, als je voeten niet in optimale conditie zijn. Ik begin mezelf steeds gelukkiger te prijzen dat ik lichamelijk momenteel in topconditie ben. 20 kilometer begint steeds meer als een blokje om te voelen, maar ik ook ken mijn limieten. Na 30 kilometer doen mijn voeten wel degelijk zoveel pijn dat ik het ook wel voor gezien houd. Maar dagen van 30 kilometer zijn heel zeldzaam, want het leven begint mij zo wel te bevallen. Vooral het feit dat ik momenteel naar Japanse maatstaven spotgoedkoop leef (ik heb enkel eten en drinken nodig), bevalt me erg goed, dus ik probeer zo lang mogelijk op dit eiland te blijven. Ik besloot dus een poosje met Mary samen te gaan lopen.

Zij is eigenlijk een compleet tegenovergestelde type pelgrim. Ze slaapt elke nacht in een Minshuku. Dat zijn Japanse gasthuizen, waar je voor redelijk goedkoop (rond de 30 euro per nacht) in een veel te grote kamer lekker warm in je futon heerlijk kunt slapen. Dat is net iets anders dan in je tent liggen, waar je jezelf in je slaapzak moet oprollen om het idee te hebben dat je niet in een koelkast ligt. Vooral de laatste dagen was het erg koud in de tent, in de bergen, rond de 700 meter. Maar goed, als Nederlander, besef ik me dat elke dag dat ik in mijn tent slaap, mij 30 euro bespaard. Over een tocht van 2 maanden is dat een aanzienlijk bedrag, waar ik zeker leuke dingen mee ga doen, die het elke nacht in Minshuku verblijven zal overtreffen. Mary spreekt wel Japans, maar kan nog geen kana (simpel ABC Japans) lezen. We liepen langs een bord, waar in Japanse karakters `Henro Minshuku` op stond. Het was dus een advertentie voor zo`n gasthuis. `Dus je hebt ook geen flauw idee wat hier staat?` vroeg ik. `Geen enkele`, antwoordde ze. Ik legde uit dat het een advertentie was voor een Minshuku, precies informatie die voor haar handig zou zijn. En nu was dit een advertentie, maar vandaag kwam ik een bord tegen, waar een pijl naar rechts stond met in karakters `lopers`, en een pijl naar links met `auto`s`. Als je niet weet wat het karakter is voor lopen of voor auto, snap je niks van dit bord, en moet je een gok nemen welke kant je op gaat. Jonny vertelde me eerder nog dat hij eens per ongeluk de vrouwentoiletten was ingelopen. Ook in het vrouwentoilet heb je van die sta-wc`s, omdat vrouwen soms hun zoontje ook meenemen. Maar daar stond Jonny dus zijn olifant uit te laten. Toch lullig, als je dan het karakter voor man of vrouw niet kunt lezen. En wat een handicap, om zo ongeletterd te zijn. Maar Mary laat zich duidelijk nergens door kisten.

Mary is zo iemand die op de schoolse manier Japans heeft geleerd. Zo met een tekstboek, waarin je dan woordjes stampt, en grammatica. Ik heb op die manier Frans en Duits geleerd. En mijn Duits is zeer goed, mijn Frans nog beter. Het zijn van die boeken met van die geweldige zinnen die als je er goed over nadenkt gewoon nergens op slaan. Zo is `Ik ben een man` kunnen zeggen in het Japans enkel handig als je bijvoorbeeld Haruna Ai heet. Mary kan dus wel de weg vragen, maar van het antwoord snapt ze weinig. Met mij erbij heeft ze het dus wel naar haar zin, want ze kan van alles in het Japans vragen, en mij dan aankijken wat de Japanners terug zeggen. En Japanners lullen wat af als ze ook maar het flauwste vermoeden hebben dat je Japans spreekt. Zo vroeg Mary de weg naar de plek om zogenaamde Daishi Udon te eten. Die vrouw vertelde netjes de weg, maar vermeldde er ook meteen bij dat Daishi Udon maar matig is, en dat je veel beter in Kagawaken je udon (dikke noodels) kunt eten, omdat ze daar de beste udon van het land hebben. Mary keek me glazig aan. `Goh, dat is een lange uitleg. Kun je dat allemaal onthouden?` vroeg ze me. Ik begon me steeds meer af te vragen hoe Mary in hemelsnaam tot hier heeft kunnen komen. Ik nam een kijkje naar haar guidebook. Allemaal Engels. Dan weet je dus wel dat er een tempel is die `Anrakuji` heet, maar als je de karakters an, raku en ji niet kunt lezen, heb je er alsnog niks aan, en alle borden staan juist in karakters aangegeven. Maar goed, kennelijk is het toch mogelijk. `Ik vraag gewoon de weg`, zei ze. En Japanners weten altijd de weg, ook als ze hem niet weten. Ze was dus al aardig wat keren de weg compleet kwijtgeraakt. Ik ben in totaal maar 1 keer de weg kwijtgeraakt. Het was wel meteen 20 kilometer de foute kant op, maar het was toch echt maar 1 keer!

Een regenachtige dag in Ushiko betekende het einde van het samen lopen. Zij ging met de bus naar haar Minshuku 10 kilometer verderop, maar ik sla geen stukken over, dus ik ging slapen een gratis hutje. Ook al was het in die hut enorm koud, ze hadden er futon liggen, dus ik begraafde mezelf onder dekens, en heb heerlijk geslapen. Het was een lange weg door een dal naar tempel #44, en dit zou de laatste echt moeilijk weg worden. Tussendoor nog ergens gekampeerd. Eenmaal Tempel #44 gepasseerd, besloot ik een gok te nemen en verder te lopen om gebruik te maken van een gratis hut nabij een onsen, nabij tempel #45. Dit bleek echter een fout te zijn, want het was niet echt een hut, eerder een gebouw met open deuren en ramen. Het zou dus een enorm koude nacht worden, en ik besloot mezelf maar goed te verwennen in die onsen. Eenmaal in dat warme bad, kwamen er 5 Japanse jongens binnen, en een van hen begon tegen me te praten. Toen ze erachter kwamen dat ik in die hut zou gaan slapen, vroegen ze me of ik niet mee wilde naar het trouwpartijtje van een vriend van hun, waar ze naar op weg waren. Hier kon ik natuurlijk geen nee op zeggen, ook al wist ik van tevoren dat dit een ruige nacht zou gaan worden. Hier in Japan kun je redelijk goed zien hoe mensen zijn, en als ze halflang haar hebben en tattoos over hun hele rug heen, heb je te maken met `bad boys`. Ik dacht nog even beleefd te weigeren, maar aangezien `nee` zo`n naar woord is als je dingen mee wilt maken, besloot ik maar mee te gaan.

Dit was een doorsnee boerenfamilie, zoals zovelen op Shikoku. Het paar was al ouder, en het feest vond plaats in een knus huisje. Op tafel een grote hoeveelheid eten, flink geimproviseerd. Niet meteen waar je aan denkt als je `Japanse keuken` hoort. Waarschijnlijk was alles zelf verbouwd, want vlees ontbrak. Het waren behoorlijk traditionele lui; netjes bidden voor het eten, bijna iedereen in kimono, netjes in seiza zitten (waar ik gelukkig inmiddels redelijk goed in ben geworden). Er waren enkele mensen aanwezig die waarschijnlijk een priesterrol vervullen, en er was ook een vrouw aanwezig die aan reiki deed. Maar zoals zoveel families op Shikoku verbouwden ze nog iets anders: hennep. En heel de familie gebruikte. De vredespijp ging goed rond, en iedereen begon al wat losser te worden. Niet meer in seiza, wat minder formeel en toen een gitaar tevoorschijn werd gehaald werd het behoorlijk muzikaal. Het feest werd, zeker voor Japanse begrippen, illegaler naarmate de avond vorderde.

De mensen begonnen steeds slomer te praten. De doordringende geur van wierook dompelde de hele kamer in een mystieke sfeer. Ik ontving een reiki-behandeling, en mijn gespannen spieren werden steeds slapper en deden minder pijn. Ko kwam naast me zitten. `Je zintuigen houden je de hele tijd voor de gek`, begon hij. `Het brein, om van de werkelijkheid een coherent geheel te maken, filtert heel veel informatie. Maar het meeste gaat verloren, het wordt weggeselecteerd. Niet alleen geur, kleur, smaak, kortom, producten van je vijf zintuigen wijzigen als je bewustzijn informatie op een andere manier filtert. Ook ruimte en tijd zijn lang niet zo rigide als je brein je doet geloven. Op het niveau van de 4e dimensie, waar ruimte en tijd versmelten tot ruimte-tijd, werkt de werkelijkheid heel anders, op manieren die mensen nooit zullen kunnen begrijpen zolang ze blind blijven vertrouwen op hun zintuigen in ongewijzigde staat van bewustzijn`. Ik probeerde hem te negeren, want ik had geen zin in zijn gepraat. `HEE MAN`, begon, gelukkig, een Japanse jongen naast me. `IK HEB GEHOORD DAT JE IN AMSTERDAM MAYONAISE BIJ DE MACDONALDS KRIJGT`, zei hij. `Ja, dat klopt`, antwoordde ik. `HAHA, LOL!!!` lachtte hij hysterisch. Zijn caps lock zat duidelijk vast. `ZOU JE MAYO OOK KUNNEN ROKEN??`. Ik heb gezien wat voor een rook mayo produceert. Het is een dikke zwarte rook, wat je zeker niet op die manier wilt nuttigen. Ko praatte verder, dwars door het hysterische gelach van de jongen heen. `Maar is de ongewijzigde realiteit datgeen wat de staat van de werkelijkheid het meest accuraat weergeeft? Of is het misschien het grootste bedrog? We kunnen het niet weten, want we zitten vast in de gevangenis van onszelf. Als je wakker wordt, word je dan wakker, of droomt de persoon uit je droom dat hij wakker wordt en aan zijn `normale` leven begint?` vroeg hij me, indringend. De gastvrouw van de avond vroeg ieders stilte. Ko zweeg. `We willen iedereen...`, begon ze, en de tranen rolden over haar wangen,`zo erg bedanken voor het komen. Echt waar. Het betekent zoveel voor ons`, snikte ze. Ze barstte in tranen uit. Haar man stond er een beetje dromerig naast, hij kon bijna niet rechtop blijven staan. Een andere jongen naast me was al omgevallen, en na wat schudden en spastische bewegingen, slaapte hij nu vredig, zo op de grond, waar iedereen een paar uur eerder nog zo netjes in Seiza zat. De reiki meesters maakte een bal van energie, en gaf die over naar de jongen waar ik eerder mee pratte. `LOL< DRAGONBALL!!`.

De volgende ochtend werd iedereen lacherig wakker. Sommige mensen wisten niet hoe ze uberhaupt in bed terecht waren gekomen. Of nou ja, iedereen werd naast elkaar wakker, want in een kleine ruimte lagen voor zeker 15 man aan slaapzakken. Dit was zeer duidelijk een gepland feestje, want zoals iedereen er de avond bij hing, was naar huis gaan zeker geen optie. De meeste mensen spacete flink na. Ik zat bij de verwarming, met wat van die lui. De vredespijp kwam weer tevoorschijn. Ik weigerde beleefd, want ik zou die dag toch echt weer 20 kilometer gaan lopen, en in trance door het bos heen spacen, leek me toch een minder prettig idee. Maar ik heb de hele dag nodig gehad om weer met twee voeten op aarde terecht te komen. Verder dan 10 kilometer ben ik niet gekomen. Volgens die lui is de hennep cultuur van het eiland net zo oud als de oudste legende van het eiland zelf. Ineens slaat het hele Japanse scheppingsverhaal ergens op, en iemand moet heel erg ver heen zijn geweest toen hij dat bedacht (zoals met elk scheppingsverhaal het geval is).

Vandaag heb ik in 1 dag wel 3 tempels kunnen doen. Eerst was het 20 kilometer vanuit de bergen naar tempel #46, een afdaling van 700 meter naar 100 meter. Van #46 naar #7 was het, jawel, 0.9 kilometer. Vanaf #47 naar #48 was het 4.5 kilometer. Morgen staat tot tempel #53 op het programma, dus het tempo komt er nu flink in. Morgenavond eet ik bij CoCo Ichiban Curry een feestmaal met Mary, die de tocht helaas niet af kan maken, in ieder geval niet deze keer, in de 30e terug moet naar de VS. Bij CoCo ben ik ook bezig aan een `pelgrimstocht`: er zijn 10 gradaties van pittigheid, en 5 tot 10 is zo pittig dat er speciaal melding van wordt gemaakt dat je eerst tot 5 moet hebben geprobeerd voor je daar aan mag beginnen. En voor mij is niveau 6 aan de beurt. Ik moest van 5 al aardig huilen. En waar 5 factor 12 is, moet 10 factor 24 zijn. Ben dus benieuwd op het mogelijk is die te eten voor ik dit land verlaat. Als het goed is begint mijn Oostenrijkse vriend Alex nu ook aardig in te lopen, dus misschien kan ik binnenkort met hem samen gaan lopen, nu het pad langzaam weer oostwaarts gaat, terug naar Tokushimaken, terug naar Ryouzenji.

Verlichting

Sinds de laatste keer dat ik iets schreef, heb ik welgeteld 5 tempels afgelegd. En niet omdat ik niet doorgelopen heb, of iets. De afstanden zijn hierzo echt gigantisch. Van #36 naar #37, 60 kilometer. Van #37 naar #38, 80 kilometer. Van #38 naar #39, 50 kilometer. Van #39 naar #40, 30 kilometer. En nu, naar #41, 50 kilometer. Er komt gewoon geen einde aan, zo lijkt het. Het land van de duivel ben ik inmiddels uit, want ik zit sinds 2 dagen in Ehime-ken. Als het weer goed blijft, begint morgen de bergetappe riching tempel #44, die vanaf hier nog een goede 80 kilometer weg is, 60 kilometer vanaf #43. Morgen loop ik de laatste 10 kilometer naar #41, dan zijn #42 en #43 daar meteen dichtbij.

Maar het keerpunt is in zicht. Ehime-ken is niet voor niets de ken van de Bodhi, de verlichting, de ontwakening. Na Kouchi-ken, die de ascetische training vormt, komt er ook met de verlichting een einde aan het lijden, wat traditioneel het doel is van bijna elke Boeddhistische leer. Het zwaarste is nu zeker achter de rug. Voor mij liggen veel tempels die redelijk dicht bij elkaar gesitueerd zijn, en de stad Matsuyama is redelijk groot zodat ook verschillende voorzieningen wat makkelijker in het bereik liggen.

Het zijn eenzame dagen geweest. Ik liep eerst naar Shimanto-stad, maar daar was eigenlijk niks. Ze noemen het waarschijnlijk een stad omdat er een McDonalds is, ofzo. De oude naam van Shimanto is `nakamura`, wat bestaat uit de karakters voor midden en dorp. Tussen de dorpen in, dus. En er was ook niks anders dan dat de hele tijd die ik besteed heb om kaap Ashizuri op te komen, en de tijd die ik besteed heb er weer vanaf te raken. Zee aan de ene hand, bergen aan de andere, en de weg voor me. En dan om de 10 kilometer een vissersdorpje, waar veel huizen verlaten zijn en je met geluk een supermarktje kan vinden. Maar goed, ik ben inmiddels wel wat gewend. Voordeel van zulke verlaten plekken is dat je heel makkelijk je tentje op kunt zetten. Heb dus ook het grootste deel van de tijd gekampeerd, ook al begint het nu heel koud te worden. De koudste nacht tot nu toe was 4 graden. Het was koud, en het was heerlijk rond een uurtje of 8 de zon weer te mogen voelen. Je incasseert het gewoon, net als de constante pijn aan je voeten. Kouchi-ken is zo verschrikkelijk omdat je er zo`n 20 dagen doorbrengt, wat precies de 20 dagen zijn dat je je het rotst voelt, omdat je de training ondergaat die de uiteindelijke lessen van de tocht vormen. Maar dat begrijp je natuurlijk allemaal pas naderhand; je moet het eerst ondergaan. Je begrijpt niet waarom, maar je doet het gewoon. In Tokushima-ken ben je nog vol goede moed, je bruist van de energie, maar in Kouchi-ken besef je dat je het moet doen zonder alle comfort die je normaal kunt ontrekken aan de beschaving, aan andere mensen. En na Kouchi-ken, kan die beschaving, die mensen, je weinig meer schelen. In een maand heb je afgeleerd te verlangen naar een warme douche, naar een dag zonder pijn in je benen, naar internet, een stoel, een echt bed, muziek, een spelletje of boek om de tijd te verdrijven. Je loopt, en slaapt. Je bent vrij. Je ondergaat veel pijn, je moet het doen zonder alle `mooie dingen in `t leven`, maar je bent verlost van je lijden, omdat je enkel nog maar wenst om te lopen, om dichtbij het doel te komen. Alles voor het doel. Nirvana, de laatste tempel.

Maar natuurlijk, hier schuilt het probleem wat ik zie met Boeddhisme. Ik heb het hier uitvoerig over gehad met een Oostenrijke mede-pelgrim, die 2 jaar in een Boeddhistische tempel hier in Japan heeft geleefd. Zoals ik zei, het doel van Boeddhisme is verlossing van het lijden. Dat doe je door je te onthechten. Je bent in je leven gehecht aan allerlei dingen, van je auto, je hond, je familie tot je wc aan toe. Mist een van die dingen, dan lijd je. En iedereen, zonder exceptie, komt in zijn leven in situaties terecht waarin je het zonder die dingen moet doen. Alles vergaat. Mensen en dieren sterven. Je auto eindigt op de sloop. De realiteit is, dat alles waar je om geeft, alles wat voor jou belangrijk is; geef het een eeuwtje, en niemand weet er meer iets van. En zowel de Oostenrijker als ik zijn het eens dat dit hetgeen is wat je vrij maakt. Dit is hetgeen wat de grootste vreugde geeft. Want het betekent dat niks waarde heeft, en dat je kunt doen wat je wilt. Maar dan heeft Boeddhist zijn, met als doel om je vrij te maken, om je te onthechten, ook geen enkele zin meer. Sterker nog, als Boeddhist raak je nog gehechten aan dingen dan de gemiddelde materialistischer westerling: je raakt gehecht aan onthechting. Deze bizar pijnlijke staat van zijn wens ik niemand toe, maar nog zijn er mensen die dit pad volgen. De Oostenrijkse jongen inmiddels niet meer. Na 2 jaar had hij het wel gezien in die tempel. Vooral omdat hij zich telkens meer realiseerde, dat hij aan het wegrennen was. Wegrennen van problemen in zijn leven in Oostenrijk. En nu is hij klaar om weer terug te keren, nadat hij zichzelf heeft bewezen en gereinigd met deze tocht.

In Simulacra and Simulation schetst Franse filsoof Jean Baudrillard een interessant visie op de westerse wereld aan de hand van een fabeltje van de Argentijnse schrijver Borges. Stel je voor dat kaartenmakers zo goed raken in het maken van kaarten dat het ze lukt om een kaart te maken die op een schaal van 1:1 de wereld representeert. Natuurlijk, omdat het een 1:1 kaart betreft, hebben we hier dan te maken met een feitelijke verdubbeling van de bestaande wereld. Nu is het welbekend dat kaarten de neiging hebben om te vergaan. Je kaart van de Nederlandse snelwegen van 10 jaar terug zal waarschijnlijk er niet meer zo nieuw uitzien. Daarom zou zo`n kaart niemand voor de gek houden, want hij zou vergaan. Het probleem is echter dat een kaart van zulke perfectie mensen ook in staat stelt nog meer controle uit te oefenen over de wereld. Daarom zouden mensen op een gegeven moment het leven op de kaart verkiezen boven het leven op het terrein dat die kaart representeert. Dat is de conditie waarin de moderne samenleving verkeert, aldus Baudrillard. Mensen leven op de kaart, niet op het werkelijke terrein. Sterker nog, in veel situaties is het nu het oorspronkelijke terrein dat aan het vergaan is, niet de kaart. En zodra iets vergaat terwijl de kopie voortbestaat, is er volgens Baudrillard sprake van een simulacrum (in tegenstelling tot een simulatie). Een simulacrum is dus een kopie van iets waarvan het origineel niet langer meer bestaat.

Shikoku is het originele terrein. De rest van Japan is de kaart. Terwijl plaatsen als Tokyo is Osaka als kankerachtige gezwellen heel Japan opzuigen in een simulacratief zwart gat, rot het originele Japan langzaam weg. Terwijl niemand in het westen er ooit iets van heeft gemerkt dat alles in het westen tegenwoordig nep en onecht is, dat alles leeg en zonder waarde is, merk je in een plek als Japan juist heel goed dat er een breuk is. Dat komt waarschijnlijk omdat Japan in 100 jaar heeft gedaan waar het westen 500 jaar over deed. En zeker in Kouchi, zo rondlopend, zie je hoe dit hele eiland langzaam verandert in, letterlijk, een shi-koku (shikoku betekent letterlijk vier landen, maar omdat shi zowel vier als dood betekent, kun je met een woordspeling ook spreken van het dode land). Je loopt langs de akkers, en je ziet de bejaarden. De laatsten die nog iets om het land geven. Een omatje parkeert haar rollator bij haar veldje, en begint te ploegen. Jonge mensen vluchten van het eiland af, naar de grote steden, waar de banen zijn, waar het geld is. Er zijn hier veel huizen die leegstaan, die zelfs op instorten staan of die al ingestort zijn. Er ontstaan enorme gaten tussen de 4 grote steden op het eiland. Het simulacrum rukt op.

Ik deed mijn rugzak af en probeerde de kaart te vinden toen ik werd aangesproken door een man. `Amerika?`. Nee, Nederland, zei ik. Hij nodigde me uit naar zijn huis. Een klein hokje, eigenlijk. Zijn futon lag nog op de grond. Hier en daar wat rommel. Een altaartje nam eigenlijk de meest prominente plek in. Een typische Boeddhist. Hij was ook geintresseerd in de tocht, maar wist er eigenlijk heel erg weinig vanaf. En hij was ook meer geintresseerd in het vergelijken van het Boeddhisme met het Christendom. `Als Christen, kun je geen god worden`, begon hij. `Als Boeddhist wel. Dat is het grote verschil`, meende hij. De kennis die mensen hier van het Christendom hebben is op zijn best oppervlakkig. `Je bent in dit leven misschien mens, maar in je volgend leven kun je god worden, en allicht kun je misschien ooit nirvana bereiken`, vertelde hij verder. `Bijvoorbeeld, jij hebt een grote interesse in Japan. Je lijkt zelfs een Japanner. Met de dingen die jij doet, ben je nog Japanser dan de meeste Japanners. Daarom was jij in je vorig leven Japanner`, zo concludeerde hij. Eigenlijk dacht ik meteen bij mezelf wat ik dan fout had gedaan in mijn vorig leven om nu als Nederlander te moeten eindigen. `Kom, laten we hiernaast wat gaan drinken`. We liepen een cafetje in, en zijn drankje stond er nog. Iets zwaar alchoholisch. De vrouw achter de bar kwam naar me toe. `Pas op hoor, deze man is permanent dronken`. De man wuifde het commentaar weg. `Vandaag is mijn `en` goed. Ik heb jou ontmoet`, zei hij me. Ik kan nog steeds niet goed het woord `en` vertalen, maar de intelligente mensen onder jullie zullen de betekenis vast wel uit de context kunnen opmaken. Hij gaf me toen ik weer verder ging een boek. Koufuku no apurochi, wegen naar geluk. `Lees het, alsjeblieft`.

Ik besefte me opeens hoe Japans ik ben geworden. Het werd me nog duidelijker toen ik gisteren in de onsen zat. Ik liep de sauna in, en er zaten twee Japanners. `Amerika?` begon een van de twee. `Nederland`. Ja, dat land wist hij wel te vinden. `Vind je van Japan?` vroeg hij verder. `Vooral de onsen is erg goed`, antwoordde ik. `Oh, is het hier niet te heet voor je?`. Ik schudde mijn hoofd, maar ik had het echt verschrikkelijk warm in die sauna. 90 graden. En die Japanners die vinden het er maar al te leuk. Er is ook een tv. Terwijl je zweet kun je gekke programma`s kijken. En na 12 minuten, want dan moet je eruit, springen ze snel in het koude bad, om dan weer terug te gaan. `Ben ook in het buitenland geweest. Amerika enzo. Voelde me er niet veilig. Dat is wel fijn he, in Japan. Dat het zo veilig is`, ging hij verder. Ik knikte. `Nederland is lang niet zo veilig`, zei ik. `Nee, komt door al die mensen uit Afrika die bij jullie komen wonen. Gelukkig is het in Japan nog niet zo ver. Maar er komen we steeds meer buitenlanders. En ze begrijpen niks van ons, ze spreken de taal niet. Ze vinden ons maar gek`, ging hij verder. Zat ik dan. In mijn nakie, in een Japanse sauna, met twee Japanse lui midden in hun midlife crisis, te praten over `die buitenlanders`. Japanners zijn verbazingwekkend open als ze naakt zijn. We lachten ons rot om de televisie. Een programma, waarbij het op een gegeven moment ging over een hond die menselijk taal begreep. Die hond kon dus ook vragen beantwoorden. Het baasje noemde dan twee opties, eentje voor de linkerhand, eentje voor de rechterhand, en dan wees de hond met zijn pootje de juiste aan. Een paar foto`s achter elkaar had de hond goed geraden of de persoon op die foto man of vrouw was. En toen kwam een foto van Haruna Ai. Voor de mensen die Haruna Ai niet kennen (geen van jullie waarschijnlijk), Haruna Ai is een tv persoonlijkheid die bijna bij elk programma wel tevoorschijn komt, en Haruna Ai had er een vroeger eentje tussen `haar` benen hangen, maar nu niet meer (wat in bijna geheel Azie een compleet normaal en geaccepteerd verschijnsel is). Wat op een foto zeer duidelijk op een vrouw lijkt, daar geef de hond consequent aan dat het om een man ging. Het publiek lag dubbel, en drie dwazen in een sauna ergens langs de westkust van Shikoku ook.

Tao

Voor de volgende set tempels cirkelde ik om Kouchi-stad heen. Erg gemakkelijk, want een slaapplek had ik zo door de bus terug naar het centrum te nemen. Wandelend door de woonwijken van Kouchi had ik enorm veel belangstellenden, vooral ouderen. De jongeren hier lachen je uit als ze je zien. De ouderen lachen je toe. Er kwam een oud mannetje met een fiets naast me lopen. `De tempel is deze kant op, kom maar`, zei hij. Ik heb een kaart bij me en wist precies waar de tempel was maar deed net alsof ik geen flauw idee had wat ik aan het doen was. `Amerika?` vroeg de man verder. `Nederland`, antwoordde ik. `Oh, Nederland. Klein land. Sterk met voetbal`, ging hij verder. We praatte wat over voetbal, toen hij ineens vanuit het niks zei dat hij in de oorlog gevochten had. Hawaii. Dat nogal een confessie om zomaar ineens te maken, vooral omdat Hawaii niet zozeer om vechten ging, maar meer om afslachten. Er viel weinig eer te behalen; hij zei het meer met een aura van schaamte over zich. Hij nam zijn petje af. `Ik ben 90`, zei hij. Ik keek hem nog eens goed aan, maar wist voor de rest niks meer te zeggen. We liepen over een bruggetje. Aan het andere eind wees hij naar een rijstveld. `Kijk, het seizoen is voorbij. De tempel is hier de berg op`, zei hij, en hij ging weer de andere kant op.

Na de betreffende tempel, kwam ik opnieuw een oudere man tegen. Hij sprong van zijn fiets af zodra hij me zag. `Hooo! Amerika??` vroeg hij. `Nederland`, antwoordde ik. `Ah. Je loopt de tocht. Ik ben je erg dankbaar`, ging hij verder. `Je bent nog jong. Jij hebt geen oorlog meegemaakt. Hoe oud zijn je ouders? Wat? 50? Dus zij hebben ook geen oorlog meegemaakt! Ik ben 86. Kijk maar`. Hij nam zijn petje af. `Na de oorlog ben ik in Osaka gaan werken. Treinen repareren. Nu ben ik met pensioen, al net zolang als jij leeft`, ging hij verder. `Japan heeft veel fouten gemaakt, met die oorlog. Ik heb destijds gedemonstreerd. We moeten de vrede en de constitutie beschermen`. Ik knikte dat ik het met hem eens was. Hij stapte weer op zijn fiets, en ging verder, naar het postkantoor. Ik schudde hem eerst nog de hand, iets wat ze altijd leuk vinden. Het is een gift, een hand geven. Mensen hier buigen. Ik buig me wat af, de hele dag. Het tovert een glimlach op ieders gezicht. Nou ja, van die oudere mensen dan. De jongeren, die boeit het niet. Het is merkwaardig om te zien dat de generatie van mensen die in oorlogstijd gebombardeerd werd met bommen en propaganda, nu het meest open van geest lijkt te zijn. Ik had tijdens mijn rustpauze nog een Japanse film zitten kijken, Otokotachi no Yamato (jongens van de Yamato) genaamd. Over het slagschip, wat het meest krachtige van zijn tijd was. Elke Japanner dacht dat Japan onoverwinnelijk zou zijn zolang ze dat schip maar hadden. Ze stuurden het de open zee op, om de Amerikanen tegen te houden, die dreigden om richting het Japanse vasteland te trekken. Het schip zonder al teveel moeite door de Amerikanen tot zinken gebracht, omdat het zonder verdere luchtsteun rondvaarde. Nee, dit was niet Japans meest glorieuze tijd.

Ineens werd ik aangesproken door een vrouw terwijl ik naar mijn kaart zat te turen. De weg kwijt. `Hee, jij bent duidelijk niet van hier!` begon ze. Ik keek twee keer. Ze leek japans maar was het zeker niet. Bruin haar, bruine ogen, maar niets Aziatisch. `Ik kom uit Mexico, ik ben hier net 5 dagen geleden heen verhuist`, ging ze verder. Ze was pas getrouwd, met een Japanner. `Wij zijn Jehova getuigen`. Ze gaf me een boekje, wat je altijd krijgt van Jehovas. Is altijd wel leuk om te lezen, vooral omdat die boekjes helemaal krom staan van de denkfouten en argumenten die de plank compleet mis slaan. Dan nog blijft het leuk te zien dat ze moeite proberen doen om zoveel mogelijk bijbelse onzinnigheden te rijmen met de moderne wetenschap. Ze haalde de bijbel tevoorschijn. Maar ik had interesse. Heel veel interesse, zelfs. Het was namelijk een bijbel, in het Japans. `Oh, als je wilt mag je hem wel hebben. Ik kan zo een nieuwe krijgen`, zei ze. Dat liet ik me geen twee keer zeggen. Ze schreef haar naam op, en haar favoriete passage. Matai 5:3 `Jibun no reiteki na hitsuyou wo jikaku shiteiru hitotachi wa saiwai desu`. Neem de bijbel als een boek vol wijsheden, en je hebt puur goud in je handen.

`Je zegt dat je de weg kwijt was, maar nog kwam je mensen tegen, wie iets voor jou hebben betekent, en jij iets voor hen`, zei Ko naderhand. `Je was de weg dus niet kwijt. Je was precies op de juiste weg. Mensen die de weg kwijt zijn, denken dat er uberhaupt een weg is. Dat er een begin is, en een einde. Dat er een doel is, en een oorzaak. Maar dat is er allemaal niet, het is een illusie. Mensen zijn reizigers. Je reist vanuit het niets, door het niets, naar het niets. Het is leven is enkel een turbulente fase in het niets-zijn. Als je zo ver heen bent, dat je denkt dat er dingen zijn, dat die dingen waarde hebben, en als je dan denkt, dat jij op x of y plek moet zijn, omdat het anders niet klopt... dan ben je de weg pas echt kwijt.`

Ik begin te genieten. Het is gewoon een shock. Je leven is zo anders, als pelgrim. Je doet niks anders dan lopen, eten, en slapen. Ik ben er nu achter, het is 90% zweten, 9% leuk, en 1% verlichting. Ik doe het voor die laatste 10%. En het zijn hele kleine dingen die je blij kunnen maken. Hele stomme dingen. In hutjes voor pelgrims lees ik soms weleens wat anderen hebben geschreven in de memoboekjes die je overal vindt. `Vandaag kreeg ik gewoon zin om in het water te zwemmen. Het regende keihard. Ik rende het strand op, en ging het water in. Ik lachte als een idioot. Ik was gelukkig`, stond er in een. En zo is het. Ik heb dingen gezien, die ik normaal niet eens zou zien. Ik voelde me gelukkig, omdat ik een kat zag. Omdat ik een slak zag. Omdat ik vliegende vissen zag. Ik heb op die plek mijn hele bepakking neergezet, en heb een uur naar die vissen zitten kijken. Had ik een paar weken geleden niet kunnen doen. Toen was ik nog teveel in de ban van het gedoe met die tempels. Zo snel mogelijk van a naar b. Maar dat doet er nu allemaal niet meer toe. Ik weet niet hoeveel ik al gelopen heb. Ik weet niet hoeveel ik nog moet. Boeit me momenteel eigenlijk helemaal niks meer.

Gisteren, na tempel #36, liep ik over de meest verschrikkelijke weg tot nu toe. Het was gewoon een weg. Maar dan langs de kust, door bos heen, met heel weinig ruimte voor voetgangers. Nou ja, het was eigenlijk gewoon een snelweg. En er was voor de rest helemaal niks. Ging mogelijkheden om nog iets te eten of te drinken te krijgen, voor een kilometer of 20 niet. En ik was eraan begonnen zonder te weten dat het er zo uit ging zien. Rond 4 uur begon ik het dus al een beetje benauwd te krijgen. Ik was van plan om eventueel nog weg te liften van die plek mocht het echt nodig zijn. Ineens fietste iemand langs me. Een Engelsman. Ook hij was op zoek naar een plek om zijn tent neer te zetten, want in het donker over deze weg fietsen zou levensgevaarlijk zijn. Jonny zei dat hij me verderop wel weer zou zien. Ik liep verder. En ineens, was er, in de middle of nowhere, een vending machine. Met weer genoeg te drinken op zak liep ik verder, en ineens was er een parkeerplaats, met een standbeeld, wcs, en een grasveld. Jonny was al zijn tent aan het opzetten. `Trek in pasta?` vroeg hij. Met niks op zak behalve nog wat chocolade kon ik dat natuurlijk niet weigeren. En het was nog lekker ook, voor campingvoedsel. We praatte over van alles en nog wat. Japan. Japans. The Commonwealth, het Britse erfgoed. Ik heb dat liever dan het Amerikaanse erfgoed. De Amerikanen hebben de normaliteit, het normaal zijn uitgevonden. Britse cultuur, daarentegen, heeft zelfs vandaag nog de naam heel verfijnd te zijn. Op het hoogtepunt van hun cultuur hoefden de Britten aan niemand iets te verkopen. Op het hoogtepunt van hun cultuur probeerde de Amerikanen alles aan iedereen te verkopen. Een televisie. Een auto. Elvis, McDonalds, Mickey Mouse. Nu kopen we dat nog, maar dan enkel de naam. Een merknaam op je onderbroek, je schoenen, je t-shirt, je petje. Made in China. Het was een kraakheldere nacht en ik heb wel 5 vallende sterren gezien, waarvan eentje recht over me heen. Hij trok een lange streep. Daarnaast nog vele satellieten. We verbaasden ons. Het is een geflipt gegeven. Veel sterren die we zien, zijn er misschien al niet eens meer. Het licht van die sterren moet zulke bizarre afstanden afreizen voor wij dit licht waarnemen, dat je miljoenen jaren het verleden in kijkt, enkel door naar de nachthemel te turen. Zelfs de zon staat 8 lichtminuten bij ons vandaan. Als je dus naar de zon kijkt, kijk je 8 minuten terug in de tijd.

Vanochtend werden we wakker met veel regen. Jonny stapte weer op zijn fiets. `Zoek me op, in Kouchi`, zei hij. En dat is precies wat ik ga doen, want het is toch slecht weer. Ik ben naar de volgende stad gelopen, en heb de trein gepakt. Was wel zeiknat voor het zover was. In ieder geval nu weer eventjes een middagje en avondje geen lopen, en ik geloof dat ik gratis bij Jonny kan overnachten. Kijk morgen wel hoe het weer is. Naar de volgende set tempels zijn flinke afstanden, en er komen ook weer bergen, met vele kilometers niks. Ik zet me dus weer schrap.

Ocean Soul

Toen ik de ochtend van de grote boze storm uit het raam keek, was het wel bewolkt, maar het waaide niet, nog viel er ook maar een druppel regen. Omdat in de stad verblijven, en in een ryokan slapen, qua kosten een gigantische aanslag op je budget is, besloot ik meteen mijn spullen te pakken en terug naar de kaap te liften. Ik was de enige in de Ryokan - ik was er terecht gekomen door een Frans meisje aan te spreken op straat. Mijn verbazing was groot toen ze zei dat ze naar Kouchi was gelift. Ze zou de dag erop verder liften, om uiteindelijk in Kagoshima de boot naar Okinawa te pakken, om daar op een boerderij te werken. Ze was het met me eens dat liften in Japan zo makkelijk is dat het bijna stom is om te betalen om van A naar B te komen. Dat gezegd te hebben, als je de witte kleren draagt die ik draag, dan hoef je niet eens een bordje te gebruiken; je steekt gewoon je duim op, en de tweede auto stopt. Mensen helpen je graag, en horen maar al te graag je verhaal aan. Gisteren ook, toen ik bij zonsondergang probeerde naar het volgende dorp te liften. `Ik heb `m ook gelopen hoor`, zei die man. `Zo`n 30-40 jaar geleden. Ik herinner me Shozanji nog als gisteren`. Die bergen, dat is voor de meeste mensen toch een van de meest genoemde aspecten waarom de trip zo zwaar is. De andere twee aspecten praat liever niemand over; die houd je eigenlijk voor jezelf. Ze zijn eenzaamheid, en geasfalteerde wegen zonder stoep met auto`s die constant langs je heen scheuren. De bergen slopen je voeten, de uitlaatgassen je longen. Wijze mensen geven op in Kouchi, zien dat dit alleen voor idioten is.

Een paar uit Kobe bracht me terug naar waar ik gebleven was, zo`n 15 kilometer van tempel 24, aan het einde van de kaap. Ik vertelde ze dat Kobe vrij bekend is, vanwege de aardbeving. Een zucht. Ik denk dat mensen uit Enschede hetzelfde doen. Behalve dan dat de meeste mensen niet over Enschede beginnen omdat ze het niet kunnen uitspreken. Ik had geen beter moment kunnen kiezen om terug te keren. Het was aangenaam warm, wel bewolkt, maar geen regen, en weinig wind. Maar jongens, wat waren die golven enorm. De hele dag en nacht hoorde ik het gedreun van gigantische golven tegen de kustlijn. Soms waren de golven zo hoog dat ze de weg op knalde en ik zout water over me heen kreeg. Chaba viel Shikoku aan. Maar in plaats van in Shikoku aan land te komen, ging ze richting Wakayama, en het centrum zou later die dag boven Tokyo hangen. Mijn voeten waren in betere staat dan voorheen, een enorme opluchting. Het duurde nog een dag voor ik echt weer normaal kon lopen. Ik had die nacht in mijn tent aan het einde van de kaap geslapen, om in de ochtend direct de berg naar tempel 24 te beklimmen. Ik voelde het weer in mijn benen, maar er was iets veranderd. Het lijkt dat de juiste spieren nu opgewarmd beginnen te raken. Al het bidden bij de vorige 23 tempels wierp zijn vruchten af. Later echter die dag begon het plotseling keihard te regenen. Ik was er totaal niet berekend en ik zat in de middle of nowhere toen het losbarstte. Dit was waar ik in eerste instantie zo voor had gevreesd toen ik nog thuis zat te bedenken wat voor voorbereidingen ik moest treffen. Ik pakte mijn regenpak tevoorschijn, en ging verder. Totaal verzopen viel de avond, en ik was nog steeds nergens. Het enige met een dak erboven was een bushokje. Ik keek naar de bustijden. De laatste bus was al gegaan. Niemand zou me storen, tot 7 uur de volgend ochtend. Ik rolde mijn slaapzak uit.

Ik heb nauwelijks geslapen die nacht, want kennelijk hebben Japanners om 2 uur `s nachts ook nog van alles te doen, dus het langsrazen van auto`s, en de sowieso al niet al te comfortabele omstandigheden hielden me goed wakker. Volgende ochtend 6 uur stond ik weer langs te weg. Ik liep. Met een gigantische koppijn. De hele dag was mijn hoofd een beetje zweverig; ik liep pal voorbij tempel 25 en moest dus een stukje terug. Door niet goed op de kaart te hebben gekeken kwam ik er pas aan de voet van de berg achter dat tempel 27 op een 500 meter hoge berg staat. Stond ik dan, zonder ook maar iets vloeibaars bij me. Ik viel neer in het gras, en heb geslapen. Werd na de middag weer wakker, koppijn in ieder geval weg. Had geen zin terug te lopen voor proviand. Ben die berg latter opgeknald; het duurde nog geen 30 minuten. Een klein tentje voor de tempel, ik liep naar binnen. `Heb je ook eten`, vroeg ik. `Niets behalve udon`, zei die man. `Doe mij die maar`.

En ik moest weer naar beneden. Man, wat heb ik een hekel aan die bergen. Echt. Je loopt dagen om zo`n tempel te bereiken en dan aan het einde moet je ook nog zo`n berg op, terwijl je voeten al helemaal kapot zijn. En het ergste is nog niet voorbij. Het compleet tegenovergestelde is ook verschrikkelijk; die lange wegen, zonder iets, langs de kust, uitgestrekt, met constant verkeer. De bushenro`s vliegen je om je oren. Als je bij de tempel aankomt, lachen ze naar je. Ze nemen hun petje af, en buigen. `pas op je benen, ohenrosan!` roepen ze je toe. Eerbiedig zijn ze, maar je voelt je constant eigenlijk niet serieus genomen. Nu snap ik ook wel dat niet iedereen, zeker niet rond 70, meer in staat is deze tocht te lopen (en dan heb ik het nu over Japanse mensen; in Nederland is de gezondheid van de gemiddelde persoon immers zo belachelijk slecht dat die al zouden opgeven na de 5 kilometer van tempel 1 naar 2), maar het roept iets op, jij, door weer en wind, lopend, en zij, comfortabel, in die bussen. Man, als je die berg op krabbelt, en er komt weer zo`n klotebus voorbij, dan hoop je echt zo keihard dat die bus spontaan ermee kapt en dat ze zelf omhoog moeten lopen om bij die tempel te komen.

Het weer was echter voortreffelijk, het zijn de kleine dingen die je blij maken op zo`n tocht. Een vogel die je nog nooit ieder gezien hebt. De warmte van de zon. Het geluid van de golven. Het volgende supermarktje. Een vending machine. Mensen die je groeten, hun petje afnemen. Ik heb nu ontdekt dat, binnen het rollensysteem van de Japanners, ik nu niet meer in het hokje `buitenlander` val, maar in het hokje `henro`. Dat is zeker een level up, en veel comfortabeler. Ze gaan er al bij voorbaat vanuit dat je Japans spreekt, dus zijn ze niet meer zo schuw. Ze stellen je geen stomme vragen meer. `Kun je Japans eten?`. Vooral omatjes in dit land zijn veel te schattig. Vaak hebben ze geen rug meer over na een leven hard werken en ze lopen allemaal zo krom als `t maar kan. En nog kunnen ze voor je buigen, en lachen.

Ik zette mijn tent op, op het strand. Mijn tent slaapt voortreffelijk. Als ik een goed plekje kan vinden, is me die hele dag doorlopen wel waard. Bij een onsen. Of naast een supermarkt. Of bij een onsen EN een supermarkt. Maar zo op het strand, dat is ook wel geniaal. Die golven, daar word je heel erg dromerig van. Net als een stranddag, waarbij je niks beters te doen hebt dan een beetje in de zon liggen. Maar dan zonder al die Duitsers om je heen.

Vanochtend kwam ik een man tegen waarvan ik eerst dacht dat het een dakloze was. Geen tand meer in zijn mond, gezicht pikzwart. Maar hij had de henro kleren aan, ook al waren ze al een jaartje of 12 niet meer in de was geweest. Hij gaf me een gouden briefje. Ik heb die briefjes ook. Witte. Je geeft ze aan iemand die iets voor je betekent, een soort van betaalmiddel voor giften. Maar gouden briefjes, dat zijn geen briefjes die je zomaar mag geven. Je mag ze enkel geven als je de tocht al meer dan 50 (!!) keer gelopen hebt. En deze vent gaf me een gouden briefje. `Zwaar he!` lachtte hij. Mijn bus kwam, waarmee ik terug zou keren naar de plek waar ik de avond ervoor was gestopt. Hij lachte naar me terwijl ik instapte, en zwaaide terwijl ik wegreed. Nu snap ik dat je als dakloze niks beters te doen hebt. Hij had niks bij hem. Ik denk dat hij elke avond gewoon slaapt waar hij is, bushokjes zijn hem denk ik niet vreemd meer. Hij gaat als ware pelgrim ergens onderweg sterven. Daarom dragen we de witte kleren. Wit is de kleur van de dood. Vroeger, toen de wegen nog niet geasfalteerd waren, duurde het eeuwen om de tocht te voltooien. Velen stierven onderweg. Je loopstok werd dan je grafsteen.

Zo lopend langs die stranden, in mijn witte kleren, schoot me op een gegeven moment in alle dromerigheid een liedje van Nightwish te binnen. Met dit liedje is alles over deze trip zo ongeveer wel gezegd.

``Long hours of loneliness
Between me and the sea

Losing emotion
Finding devotion
Should I dress in white and search the sea
As I always wished to be - one with the waves
Ocean Soul``

Karma

De eerste tempels gingen vlot, maar zo makkelijk kon het natuurlijk niet blijven. De eerste echte uitdaging kwam in de vorm van een bergketen, van de 11e tempel, naar de 12e tempel, Shozanji. Over Shozanji had ik al heel erg veel gehoord, vaak van mensen die met een glimlach verhaal deden. Japanners lachen veel, maar na een tijdje begin je te onderscheiden wat elke lach betekent. En dit was een beetje een pijnlijke lach. En terecht. Je gaat eerst verticaal naar 700 meter, om daarna terug te dalen naar 500 meter. Daarna ga je nog 5 keer 250 meter omhoog en omlaag, dwars door bos heen. Niemand woont in die bergen, er zijn enkele heiligdommen om de zoveel kilometer waar je drinkbaar water kunt bemachtigen. De meeste mensen doen er 2 dagen over, maar dwazen doen het in 1 dag. En ik ben een dwaas.

Ik was al kapot bij 700 meter. Toen al geen water meer. Maar de volgende waterbron was zeker nog een uur lopen. Ik kwam een andere pelgrim tegen, die aan het uitrusten was. Het was zijn 3e keer, zijn 3e keer rond, dan. Naast dus enorm sterk te zijn (ik respecteer op het moment diep elke persoon die de tocht ook maar 1 keer helemaal heeft gelopen), was hij ook nog eens een meester in Reiki. Daar had hij me de avond ervoor nog wat dingen van laten zien. We zaten in een simpel hutje, waar henro gratis mogen slapen, aan de voet van de berg. Hij pakte mijn hand beet. `Doet het pijn als ik hier druk?` vroeg hij me, terwijl hij mijn hand grondig aftastte. `Ja, daar`, zei ik. Hij hield zijn wijsvinger een poosje op de plek en kneep opnieuw de plek in; geen pijn meer. Hij sloot de deur achter ons, pakte een stukje papier en zette een pen rechtop door hem tussen twee tatami in te duwen. Daar balanceerde hij vervolgens voorzichtig het stukje je papier op, dat zonder te bewegen op de punt bleef hangen. Toen hij vervolgens rustig zijn handen in een kom om het papier vouwde, begon het stuk papier met zijn handen mee te draaien zonder dat hij het aanraakte. Deze op het eerste gezicht vorm van psychokinese liet zweetdruppels langs zijn hoofd lopen. Hij vroeg me mijn hand tussen zijn handen te plaatsen, en ik voelde een merkwaardige warmte van zijn handen afstralen. Hij stond op en ging slapen. Op de berg kwam ik hem dus opnieuw tegen. `Eet wat, vanaf hier gaat het eerst omlaag, en dan weer een paar honderd meter omhoog`, zei hij. Ik zette mijn bepakking neer en ging naast hem zitten. `Christen?` vroeg hij. Ik schudde mijn hoofd. `Wat dan?` ging hij verder. `Ik weet het niet. God, goden, ik weet niet wat ik er exact van moet denken`, zei ik. `Oh, maar goden bestaan niet`, begon hij. `Wat ik je gisteren liet zien, dat komt uit het hart. En alle energie gaat ook weer naar het hart. Ook als je bid. Daar zitten de goden, daar leeft het. Christenen, Moslims, Boeddhisten, we bidden allemaal naar ons hart. Daarom kan een Japanner Christen zijn als hij trouwt, en Boeddhist als hij sterft. Voor hem is het allemaal hetzelfde`. Het was waar. Japanners zijn dol op bruiloften in de Christelijke stijl, zelfs Boeddhisten verbonden aan een tempel. `Daarom snap ik niet waarom mensen er zo om vechten. Wij Japanners houden van vrede. Wij zijn Boeddhistisch`, ging hij verder.

Ik heb die berg vervloekt. Sinds die dag in die bergen, doen mijn voeten pijn bij elke stap. Het omhoog gaan, dat is niet eens erg. Maar omlaag. Vooral over geasfalteerde wegen. Het sloopt je voeten. Ik heb al talloze Japanners uitgelegd dat er in Nederland geen berg te vinden is. Mijn voeten zijn stadsvoeten, geen bergvoeten. Maar ik ben zeker niet de enige die pijn in zijn voeten heeft. Henro onder elkaar vragen niet hoe het gaat; ze vroeg hoe het met de voeten is. En die doen bij iedereen pijn. Na een volle dag in de bergen hebben gezeten, en keihard te hebben geknokt om nog stappen vooruit te kunnen doen, kwam ik doodsvermoeid aan bij Shozanji. Het was er prachtig. Niet alleen omdat het prachtig was; een tempel helemaal verstopt in de bergen, met niks eromheen behalve beekjes en bos, het was prachtig omdat ik er vele uren en moeite in had gestopt om er te komen. Tempelmoeheid, dat is een luiheidsziekte. Als gewone toerist pak je de trein, bus of taxi om een tempel te bekijken. Maar als pelgrim, als je loopt, als je al die moeite doet; dan is aankomen bij de tempel, en de tempel bezichtigen, iets waar je helemaal van kunt genieten. Je geniet van je eigen werk. Ik buig bij de ingang van elke tempel. Ik buig als ik weer wegga. Niet alleen omdat zo hoort, maar omdat ik de tempel respecteer. Het komt uit het hart, al die energie. Door de tempel te respecteren, respecteer ik mijzelf, en mijn vermogen dingen te bereiken.

`Karma spreidt zich niet enkel uit langs verschillende levens, maar ook binnen ons huidige leven is karma een principe wat je goed moet begrijpen voor je ook maar kunt beginnen met leven an sich`, leerde Ko me. `Jullie westerlingen, begrip van de karmische wetten ontbreekt compleet. Het komt door jullie maatschappij. Jullie stoppen enkel ergens moeite in als het geld oplevert. Daarom gaan jullie naar het werk. En al die energie die jullie daarin stoppen, gaat verloren. Je koopt er een rode auto voor, of een blauwe. Je mag zelfs kiezen wel kleur je leuk vindt, maar het moet wel een auto zijn. Je mag kiezen wat je wilt, bent vrij om te doen wat je wilt, zolang je maar dingen koopt`, ging hij verder. `Hoor je het tikken van je wandelstok? Dat is jouw karma. Je bouwt karma op met het tikken van die stok`. Gesprekken tussen mij en Ko waren al geen gesprekken meer. Het waren monologen, van Ko. Ik zweeg enkel, en luisterde. `En dat karma, dat is waarom jij hier kunt bestaan, hier kunt doen zoals je doet. Het is de reden waarom jij veilig bent, waar je ook gaat of staat. Waarom mensen jou precies op het juiste moment helpen, en dat je precies op het juiste moment op de juiste plek bent. Die synchroniciteit, en ontvankelijkheid ervoor, bouw je op door het verrichten van werk. Niet dat werk van jullie waar je enkel geld en ongeluk voor krijgt. Maar puur werk. Het investeren van tijd en energie in iets waar je het doel niet van begrijpt.`

Na nog enkele bergen, met veel pijn en moeite overwonnen, begon een andere fase van de tocht. De wandeling Kouchi in (de 2e ken, of provincie) gaat gepaard met extreem lange afstanden niks. Met niks bedoel ik, jij, de weg voor je, de zee links van je, de bergen rechts van je. Zo nu en dan een dorpje, nog compleet bebouwd met houten huizen, welke in de nacht verdwijnen zodra de laatste inwoner komt te overlijden. Er zijn huizen die leegstaan, waarvan de bewoners zijn overleden, waarvan de auto nog op de oprit staat, en soms al volledig is begroeid met klimop planten uit de voortuin. Het gras komt tot aan de kozijnen. Je kunt in die dorpen wat brood kopen, en iets te drinken. Je slaat in, en hoopt dat je niet zonder eten of drinken komt te zitten voor je het volgende dorp bereikt. Het weer zit altijd tegen. Het is of te warm, of te koud, er staat teveel wind, of het regent. Je benen... Ik negeer ze. Ze doen eigenlijk constant pijn. Je zet door. Je stopt zo min mogelijk, want na het stoppen voel je hoe erg pijn je voeten doen als je weer begint te lopen.

Van tempel 23 naar tempel 24 is het een lange wandeling van 80 kilometer, helemaal langs de kust, route 55. Op het puntje van een kaap, daar ligt Hotsumisakiji. Ik was er 3 dagen geleden aan begonnen. Om geld te besparen maak ik zoveel mogelijk gebruik van hutjes die leegstaan, of van mijn tent. In contact met andere mensen ben ik nauwelijks. Maar onder henro doen verhalen snel te ronde. Een tyfoon kwam, zo waarschuwde eentje me. En op een kaap, zuidelijk Shikoku; dat is de slechtste plek ter wereld om te zijn zodra een tyfoon aan land komt. En de langs die kust naar de volgende grote stad lopen zou me nog zeker een week kosten. En na 12 dagen non-stop aan de wandel te zijn, op een 6 to 6 schema (6 uur sochtends op, lopen, 6 uur weer je bed in, compleet gesloopt), was het tijd om weer eens terug de normale wereld in te gaan. Ik stak mijn duim op, de tweede auto stopte. `Waarheen?`. `Kouchi`. Daar zit ik nu, in een internetcafetje. Ik heb echter wel een mooie kamer in een ryokan, waar ik aan het bijkomen ben van bijna 2 weken aan emotionele, fysieke en spirituele pijn. En ik blijf hier tot de storm is overgewaaid. Dan ga ik weer verder met lopen langs de kust, hopelijk met voeten die een beetje bijgekomen zijn. Gelukkig zijn ze nog heel, want ik ben ook mensen tegengekomen die niet zo best uit de bergen kwamen. En dat is zuur, na zoveel moeite. Maar die mensen zijn Japanners, en kunnen na een maandje weer verder gaan. Ik moet het in een keer doen, dus is het beter als mijn voeten gewoon heel blijven.

Ik loop verder!